Een poging mijn ontroering in het Motus Mori Museum te snappen

Tekst: Jantine Jongebloed

Foto's: Nichon Glerum

In de kerk van Midsland huist het bewegingsarchief Motus Mori van choreografe Katja Heitmann. Dagkrantschrijver Jantine Jongebloed keek een uur lang naar traag bewegende mensen en moest huilen. Dit is een poging haar eigen ontroering te duiden.

Ik kijk naar vijf halfblote mensen in de kerk van Midsland. Het is Oerol dus deze zin is niet gek. De halfblote mensen zijn dansers die samen met choreografe Katja Heitmann een archief van menselijke bewegingen hebben aangelegd. Ze interviewden in de afgelopen jaren meer dan 2000 mensen en maakten 'choreografische portretten’ van hun lichaamstaal, die ze hier, op Oerol, in de kerk van Midsland, dagelijks vier uur achter elkaar performen, vertraagd – als een film die 10 keer te langzaam wordt afgespeeld. Bewegingen van Diny (71) die, als ze haar zussen begroet, altijd even hun gezicht vastpakt, met twee handen. Bewegingen van Marie (36) die verend op haar benen loopt, een familietrekje. Bewegingen van Veronique (37), die met grote stappen marcheert als ze op haar doel afloopt. Bewegingen van Bill (90) die een klikkend geluid maakt als hij een nieuwe ruimte inloopt.


Ik kijk naar vijf halfblote mensen die duizenden individuele bewegingen in een choreografie aan elkaar hebben geknoopt, die ze nu in grandioze slow motion en met de grootste precisie voor mij uitvoeren. Ik zit een uur in een kerkbank en kijk. Na tien minuten begin ik te huilen. Het gaat zoals zoiets begint, met vochtige ogen. Het eindigt met het afvegen van mijn wangen nadat er een half uur dikke ronde tranen overheen naar beneden trokken. De tranen zo dik en rond dat je het biggelen kunt noemen, of hagelstenen, individuele, glad geslepen bellen die de huid van mijn wangen per stuk kan identificeren. Ik kan het bijna zien gebeuren. Daar gaat er een. En daar. En daar. 


Soms weet ik meteen en heel precies waarom iets me raakt. De aanblik van een kidneyboon, de associatie met een embryo. De ogen van een zus, het besef van verdriet, en iets in mij dat het op wil lossen maar dat gaat dan niet. Kijken naar wat beweegt in de wind, een pluim helmgras bijvoorbeeld, op dit eiland, een scheut van iets goeds. Vrijheid! Geluk! Dankbaarheid! Al die holle woorden die staan voor iets wat juist zo bol en bulderend en vet en echt is. Soms begrijp ik het meteen. Maar wat er nu in deze kerk gebeurt, dat snap ik niet. 


Misschien was het de ontvangst van producer Sander van der Schaaf, in het voorportaal van de kerk, waar hij me uitleg gaf over het project en mijn luisterende houding benoemde en toen kopieerde. Mijn rug licht naar voren gebogen, zijn rug licht naar voren gebogen. Mijn benen tegen elkaar geklemd, met daartussen mijn handen die mijn benen vasthouden, mijn linkerhand tegen mijn rechter dijbeen, mijn rechter tegen mijn linker, alsof mijn handen mijn benen schudden, maar dan kruislings. Hij doet me na. Sander spiegelt en ik besef dat ik nog nooit iemand anders deze specifieke houding zag aannemen. Ik ben me er al 36 jaar niet van bewust dat het voor mij een vertrouwde houding is, maar hij ook typerend is. Misschien zit ik zo als ik aandachtig wil luisteren, erbij wil zijn, of is het een poging te kalmeren en me thuis te voelen ergens. Misschien zit de ontroering in het besef dat ik lang geleden een hoofd ben geworden en me nu realiseer dat mijn lijf er ook nog is. Misschien staan de tranen stil bij de bewegingen die ik aan dit museum zou kunnen doneren. Het oncontroleerbaar maar subtiel samentrekken van de spieren in en rond mijn mond, als ik gespannen ben. Het kauwen op de binnenkant van mijn lip, zoals mijn beide zussen en een tante ook doen, zomaar, in welke situatie en in welke staat dan ook. Het volblazen met lucht, als ik tob. Het optrekken van mijn tenen, slepend over de binnenkant van mijn schoenzool, als ik zenuwachtig ben. Mijn handen op mijn bovenbenen als ik stilsta en poseer, met de duim in een hoek van 90 graden, precies zoals mijn vader en mijn oma. Het twisten van mijn rug, mijn linkerhand weer op dat rechterdijbeen, maar nu aan de buitenkant, en andersom, kraken en draaien in de hoop mijn computerrug los te maken, en mijn nek, mijn schouders, wat niet. 




Misschien komt de ontroering door de vertraging in de beweging van de dansers, die alles uitvergroot, het zo expliciet maakt – dat het verschil tussen mensen ‘m in details zit. Misschien komt het door de toewijding van de dansers, hun concentratie, hun overgave. Alsof ik naar diertjes in een hertenkamp kijk. Misschien door het duidelijke onderscheid tussen jonge en oude mensbewegingen, de herinnering aan mijn stroeve knieën van eergisteren. Misschien door de schoonheid van allemaal een poging doen. Misschien heeft de broosheid van de lijven waar ik naar kijk er iets mee van doen, zo bloot en aanraakbaar en kwetsbaar. Elke vlek en rimpel en ademing zichtbaar in de borstkas, de rug, het op en neer gaan van een buikrol. Het lijf zo functioneel en levend. Het mijne onder een kledinglaag, weggestopt, maar voelbaar. Denkend aan vroeger, toen het nog onbezoedeld was, ervaringloos, toen het nog niet zoveel te verduren had gehad, nog geen littekens in mijn navel, onderbuik en venusheuvel, nog niets verloren en meegemaakt, nog schoon en ontziend. Misschien huil ik omdat ik er nog ben. Of er meer wil zijn dan nu.



Misschien komen de tranen door het beeld dat ik zie als ik straks de kerk weer uitstap. Statische gedenkplaatsen op het kerkhof met daaronder aarde, daaronder kisten, daarin botten van mensen die ooit bewogen omdat er nog spieren aan vast zaten die werden aangestuurd door hersenen die toen nog in leven waren. Maar dat weet ik nog niet als ik op die kerkbank zit en ik luister naar de muziek die me ergens aan doet denken en mijn botten in trekt, muziek gecomponeerd door dezelfde Sander als die me in het voorportaal van de kerk ontving, muziek die me ergens aan doet denken, een associatie legt naar iets van een eerder moment in mijn leven, alsof niet alleen lichaamstaal van verschillende mensen aan elkaar worden geregen in dit menselijk archief, maar ook herinneringen uit verschillende levens in elkaar overvloeien en nieuwe verbindingen leggen in mijn hoofd. 


Misschien omdat de mensen schuin tegenover me ook huilen, nog harder dan ikzelf, nog roder en bloeddoorlopender. Misschien omdat ik probeer te gissen naar wat zij zien en dan voelen. Verdriet of angst of mildheid? De verwondering over dit idee van niet alleen foto’s en brieven maar ook bewegingen van mensen te bewaren voor ze ons verlaten? De confrontatie met dit ene lijf waar we het mee moeten doen, of mogen? Het verzorgen en verwaarlozen? Dit rustpunt in het drukke Oerol, de moeheid, de vervulling, het voorrecht. Het alleen maar kijken en niks hoeven, dit kunstwerk, deze plek, dit hier.

Het zou kunnen.


Als ik de ruimte verlaat, een uur later, stil en bedaard, blader ik door het gastenboek bij de uitgang. Veel mede-bezoekers zijn geroerd geraakt. Velen schrijven dat. ‘Ontroerend.’ Zonder uitleg. Dat geeft niet. Niks hoeft gedeeld, niks hoeft begrepen. Maar bezoeker Henk, die weet het. Hij schrijft: ‘De 54-jarige vriendin met wie ik vorig jaar nog op Oerol was, is in maart dit jaar overleden. Ik heb enkele van haar bewegingen in dit museum teruggezien, en zelfs één gezicht.’


Goed kijken, goed bekeken worden, de ander zien. Daarin zit de ontroering denk ik.

*

Motus Mori MUSEUM van Katja Heitmann is nog t/m woensdag 12 juni te bezoeken in de kerk van Midsland. Kijk hier voor meer informatie.