De taal van de niet-taal

Tekst Anne van de Wetering, Fotografie Geert Snoeijer, Berbe Rinders, Nichon Glerum

Taal is een vreselijk beperkt middel om de wereld in uit te drukken. Gelukkig zijn er genoeg kunstenaars die zich niet laten beperken door de woordentaal die de meesten van ons spreken en de taal van de muziek gebruiken, of van het lichaam en het licht. We vroegen vier makers met welke taal zij werken en wat dat oplevert. Zodat de dagkrant dat vervolgens weer in taal kan proberen op te schrijven. Een exercitie die gedoemd is om te mislukken natuurlijk, want: writing about music is like dancing about architecture. 

Elmer, muzikant

“Muziek gaat directer naar de intuïtieve gevoelswereld dan taal. Het is vrijer voor eigen interpretatie van het publiek. Dat is er tof aan. Ik hou er wel van als er humor zit in elektronische muziek. Muziek waarbij je voelt dat iemand het in z'n slaapkamer heeft gemaakt en met zichzelf heeft moeten lachen. Er kan bijvoorbeeld humor zitten in een beat die een bepaalde knulligheid heeft en tegelijkertijd toch verraderlijk hard en dansbaar is. Het ongemak waarmee een bepaalde synth op een drumlijn ligt. Dat het wat houterig is en net niet past. Dat vind ik grappig. Als ik samenwerk met mijn producer proberen we ook altijd voor wat humor te zorgen. Door rare sampeltjes, gekke switches van beats en curieuze baslijnen erin te stoppen. Als we moeten lachen is het goed.”

Josephine van Rheenen, choreograaf bij De Dansers

“Waarom we niet werken met taal? Wat een vraag. Nou, ik heb zelf nooit zo veel gehad met taal, misschien. Hoewel we natuurlijk soms wel werken met songteksten. Maar die zijn Engels en poëtisch, dus dat is dan wat minder concreet. Ik vind het fijn dat het lichaam wat meer ruimte geeft aan interpretatie. Hoewel dat kan taal ook doen. Kijk, ik raak meteen verstrikt in de taal.


Het lichaam en dans geven ruimte om op een niet-concrete, maar gevoelsmatige, intuïtieve manier met een onderwerp bezig te zijn. Het kan je ontroeren zonder dat helemaal duidelijk hoeft te zijn waarom dat nu is. Dat vind ik een prettige manier van emotie beleven. Je kunt hele rijke emoties voelen zonder dat die concreet hoeven te zijn, zonder dat je het precies begrijpt.


In dans kan ik iets vertellen, hoewel het niet echt voelt als vertellen. Meer alsof ik ergens een beginpunt maak, en dat het publiek daar dan zelf mee verder kan. De inhoud is meer een voorstel, het is niet een-op-een af te lezen. In ieder geval houd ik ervan om veel ruimte te geven aan de kijker om met eigen herinneringen en gevoelens daar te zitten.


Als ik vanuit beweging kan werken, voelt dat vaak universeler en essentiëler dan vanuit taal. We hebben een hele voorstelling gemaakt over hoe je een ander vastgrijpt en vasthoudt en dat is eigenlijk maar één hele basale beweging.”

Martijn van Ditshuizen, muzikant, arrangeur, producer

“Muziek is niet letterlijk, je mag erin horen wat je wilt. Je kunt er daarom uithalen wat je op dat moment nodig hebt of wat je erbij wilt voelen. Als je iets melancholisch speelt kan dat voor de een op dat moment soothing zijn, terwijl het voor iemand anders juist meer de mood wat omlaag kan brengen. Voor iemand die al down is, kan het een fijn bad zijn om in te vallen. En als iemand een blije dag achter de rug heeft, kan-ie juist in een meer reflectieve sfeer raken. 


Zo gebruiken we muziek ook in de Voor Vroege Vogels-talkshow op Oerol. Eerst begin ik met een warm pianogeluid om het publiek kalm mee wakker te maken. Dan ga ik daar met wat blaasinstrumenten overheen. Daarna komt de tune van het programma met de baritonsax. Die is heel erg in your face, dan is het publiek wel wakker. 


Het publiek mag ook meedoen. Iedereen krijgt een percussie-ei aan het begin van de show en we vragen het publiek om daarmee bij te dragen aan de muziek. Muziek kan zo een groepsproces worden. Het werkt verbroederend. En ik denk dat muziek in de show ervoor zorgt dat echt iedereen zich onderdeel van de show voelt. De show heet daarom ook vóór vroege vogels – niet over vroege vogels. Het is voor iedereen en met elkaar – de muziek is daar een leidende factor in. 

Bo Koek, Touki Delphine, muzikant en theatermaker

“Toen we Firebird maakten, een voorstelling die te zien was tijdens Oerol 2019, wilden we een orkest Stravinsky laten uitvoeren met lichtjes en muziek. Telkens als we mensen aan dat orkest toevoegden, werd het minder tof. Uiteindelijk werd dat dus een orkest dat alleen bestond uit lichtjes en muziek. Het communiceert blijkbaar beter als mensen zelf mogen associëren. Daar zijn we daarna in onze volgende voorstellingen mee doorgegaan.


We proberen in ons werk de natuur na te bootsen met techniek. Nadat we een boek 

lazen van Andrea Wulf over Alexander von Humboldt, ‘uitvinder van de natuur’, zijn we ons gaan bezighouden met die verhouding tussen natuur, mens en techniek. Dat heeft ertoe geleid dat we de mens uiteindelijk helemaal hebben weggehaald. En met de mens verdween ook de taal.  


In deze voorstelling bootsen we een schimmelnetwerk na. Dat netwerk bestaat uit mycelium, het mycelium is de massa, het vlees van de schimmel. Via talloze verbindingen zorgt dit mycelium ervoor dat planten en schimmels met elkaar communiceren. Hoe dat precies in z’n werk gaat weet de wetenschap nog niet. Maar dat er via het netwerk gecommuniceerd wordt is wel duidelijk. Het netwerk wisselt nutriënten uit: eiwitten en suikers bijvoorbeeld. Maar hoe die communicatie verloopt en waarom het zo gaat als het gaat, dat is niet duidelijk. Er is geen brein dat het aanstuurt. Maar dus wel communicatie. Zonder taal.”